
LAR-hoger beroep: meer of minder rechtsbescherming tegen de overheid?De Landsverordening Administratieve rechtspraak (“LAR”) is in 1997 in werking getreden. Over de LAR-procedures is er in deze column reeds een aantal artikelen verschenen. Bij de invoering van de LAR heeft de wetgever (regering en Staten) besloten om voorlopig geen hoger beroep toe te laten in LAR-procedures. Achtergrondgedachte was dat er ervaring moest worden opgedaan met het nieuwe systeem en dat de rechtsprekende instanties niet teveel belast zouden worden. Tevens was het de bedoeling van de LAR om de burger binnen een relatief korte termijn rechtsbescherming te bieden bij de rechter en dat binnen die termijn uitsluitsel werd gegeven over wel of geen gelijk. In 2003 werd de mogelijkheid van hoger beroep in LAR-procedures in het leven geroepen. Merkwaardig bij de invoering van het hoger beroep is wel dat het niet voortvloeide uit een wens van de burger om meer mogelijkheden tot rechtsbescherming te krijgen. Dit kwam als initiatief van de regering, nadat zij vergeefs heeft getracht om een – haar ongewillige - rechterlijke beslissing in beroep terug te draaien (zaak New Millennium inzake mobiele telefonie). De kern van de LAR is om aan burgers de mogelijkheid te bieden tegen overheidsbeschikkingen in actie te komen en indien noodzakelijk te belanden bij een onafhankelijke rechter die dan een oordeel zal moeten geven over de rechtmatigheid van die overheidsbeschikking. Met de invoering van het LAR-hoger beroep kan zowel de burger als het bestuursorgaan in hoger beroep gaan tegen een uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg, indien een van, dan wel beiden, het niet eens zijn met die uitspraak. Termijn voor indiening van het hoger beroep bedraagt zes weken, gerekend vanaf de datum van de uitspraak. Het hoger beroep dient te worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, maar het dient te worden ingediend bij de griffie van het Gerecht, waar de uitspraak is gedaan. Nadat het hoger beroep door het Hof is ontvangen, zendt die het door aan de tegenpartij (afhankelijk van wie hoger beroep heeft ingesteld: het bestuursorgaan of de burger) en stelt het Hof deze in de gelegenheid om binnen een bepaalde tijd een verweerschrift in te dienen, als reactie op het hoger beroep. Het Hof in LAR-hoger beroep bestaat uit drie rechters; twee daarvan zijn lid van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in Den Haag. Het LAR-Hof komt slechts twee keer per jaar bijeen om hoger beroepen te behandelen. De behandeling vindt mondeling plaats. Tijdens de behandeling kunnen partijen het woord voeren en hun standpunten toelichten. Het Hof kan desgewenst vragen stellen aan partijen. Na sluiting van de behandeling wordt na acht (8) weken uitspraak gedaan. Het Hof kan de uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld bevestigen of vernietigen. Indien een uitspraak wordt vernietigd zal het Hof opnieuw een oordeel geven over de beschikking. Het Hof kan dan het beroep gegrond of ongegrond verklaren of degene die beroep instelde niet-ontvankelijk verklaren. Wanneer een beroep gegrond wordt verklaard kan het Hof de beschikking vernietigen en het bestuursorgaan bevelen om binnen een bepaalde termijn een nieuwe beschikking te nemen, waarbij de overwegingen van het Hof in aanmerking genomen dienen te worden. Het Hof kan echter ook bepalen dat de uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep gegrond dient te worden verklaard, maar dat de beschikking, op grond van hetgeen ter zitting van het Hof is gebleken, in stand dient te blijven. Indien de indiener van hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan wel de uitspraak, waarvan beroep, wordt bevestigd, is het einde oefening voor de indiener van het hoger beroep. Als het Hof in hoger beroep de uitspraak en de beschikking op bezwaar vernietigt en het bestuursorgaan beveelt tot het nemen van een nieuwe beschikking, dient de indiener op die nieuwe beschikking te wachten. Mocht de indiener het niet eens zijn met de nieuwe beschikking, dan kan deze daartegen beroep indienen bij het Gerecht in Eerste Aanleg. Persoonlijke noot: Uit het voorgaande (en tevens uit de reeds verschenen artikelen over de LAR-procedure) trek ik de conclusie dat met de invoering van het hoger beroep het doel en de strekking van de administratieve rechtspraak voorbij is geschoten. Het doel van de LAR was om door middel van een relatief simpel en kortdurende procedure rechtsbescherming aan de burgers te bieden tegen administratieve beslissingen van de overheid. De strekking was om een lage drempel te maken voor de toegang tot de onafhankelijk administratieve rechter. Administratieve procedures kunnen nu heel lang duren omdat (1) de termijnen in de LAR fataal zijn voor de burger, maar niet voor de overheid; (2) als de overheid het niet eens is met een uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg, zij ook in hoger beroep kan gaan; (3) als in hoger beroep het Hof de overheid beveelt tot het nemen van een nieuwe beschikking zulks geen garantie biedt dat de burger gelijk zal krijgen; (4) als de burger het niet eens is met de nieuwe beschikking op bezwaar, deze opnieuw in beroep moet gaan bij het Gerecht in Eerste Aanleg; en (5) als een van partijen het niet eens is met de uitspraak van het Gerecht, zij wederom de kans heeft om in hoger beroep te gaan. Zo ziet U maar, het lijkt niet op te houden. Men lijkt dan in een vicieuze cirkel van procederen te raken. Mijns inziens dient de knoop ergens doorgehakt te worden. Daarnaast is het initiatief tot de invoer van het hoger beroep in de LAR gekomen vanuit de regering uit onvrede. Na een rechterlijke uitspraak waarmee zij niet zo gelukking was, heeft de regering met man en macht gewerkt aan de realisatie van het hoger beroep in de LAR en heeft dat binnen relatief korte termijn (en voor zover bekend na weinig of geen onderzoek) weten te bewerkstelligen. Op grond van deze feiten trek ik de conclusie dat het hoger beroep in de LAR is ontstaan uit eigen belang van de regering om zich tegen de burger te beschermen en niet uit de wens of het gevoel van de burger om meer rechtsbescherming tegen overheidsbeschikkingen. Hiermee is mijns inziens de burger, met de invoering van het hoger beroep, niet vooruitgegaan in de rechtsbescherming en is van laagdrempeligheid voor de toegang tot de onafhankelijke rechter geen sprake (meer), gezien de tijd, moeite en kosten eraan verbonden. Milko G.A. Baiz milko@gobiklaw.com
|